Wij
allemaal door lucht en zinnen diep
Van
binnen als uit hout gesneden
Scherp
afgetekend afscheid
Zonder
weten
Van
het natte gras
Of
hoe het was te spelen
Onder
onze hoede
Was
daar een reden
Dat
de val trok naar beneden
En
het zweven naar omhoog ?
Pak me vast want
ik heb niet van deze wereld veel
Er hebben wel of
denken het te
oeverloos meedogenloos
en blind
maar meestal weergaloos
onschuldig zoniet
irritant geduldig en
tevreden deze types
Ja
Je hebt er van
Het steekt aan dat gaan en komen
Dromen dicht ineen vervlochten
Het leek even dat we mochten
Zweven en niet staan
Jij veegt de pan
Ik slaak een zucht
Ik zal niet willen
Kan niet laten
Vissen zwemmen in het water
Tijd verspreidt slechts
Kringen op het spiegelende vlak
Hoor
De echo van de stilte
Niet jouw naam
Maar
Je gestalte
Toch is het
Jouw dochters lach
Die hier tot op de laatste dag
Blijft klinken in de ijle lucht
Sinds jij
Sinds trouwen
En met wie
Al dit bijten maakt me blij
Ik zal er niet om rouwen
Vrouwen zijn er niet om mij
Maar dagen die
Passeren
Leren lopen langs de Lindenlaan
Lange dagen kort te gaan
Spijt en toch
Rechtop te staan
Ze kijkt me aan
En ik zeg niets
C’ est dure, la vie
Dit wachten mag wat weten
De wind kan waaien of gaan liggen
Maar wij zullen slechts dwalen
Werken, slapen, eten
Ja, ik mis je elke dag
En heb daarvoor geen reden
Wat ik schrijf
Vaak synthetisch poëtisch
Weegt niet op tegen een wereld
Groot geschapen
Door denkers zo
Geraffineerd bespraakt
Dat zij van lichtjaren ver
Sterren kunnen sprenkelen
Over jouw en mijn zieleheil
Hoe ik nog speel
Liefst excentriek
In valse mimiek gevangen
Smachtend naar wat aandacht
Wat zou ik daar van zeggen ?
Warrige wartaal
Als
Onzinnige onzin
Als we ons innig verwarren
Wordt taal zinnig
Delen
Is erkennen
Dat velen zijn zoals jij of als wij en
Hoe waar ook
Zo zwaar ook
Te zien dat God dood is
Een ego niet groot is
Maar velen een mens
Een wens
Heb lief
Met tranen zal ik mijzelf niet bevrijden
Noch vrienden
Geliefden
Of volk
Geen klok wordt wijs van tijd
Geen bloem is rood van nijd
Schaamte kun je niet vergeven
En de dood die je erft
Kun
je niet beleven
Ze weet van de meesten wel
Wat ze te drinken zullen nemen
Hoe lang ze zullen blijven
We praten wat
Voorzover ze daartoe tijd nog telkens
Tussendoor weer vindt
Ik heb een vriendje zegt ze
En ik was zes jaar alleen
Niet slechts haar blonde haren
Ook haar huid weerspiegelt licht
Heel dicht bij me zit ze
En we staren
Geen die voor de ander zwicht
Als een ronde steen
Zo rustig ben ik
Ik dicht een weg
Naar huis
Waar ik verguis
in mijn verlammend zijn
Gevangen
Een doel vraagt geen streven
De spoel van het leven is rond
Taal, ja.
Taal.
Het onvermogen.
Droge vlakten,
kale oorden,
lege leegte onder woorden.
het zaad van afgunst is gezaaid
brood van vergankelijkheid gegeten
grond van de minderwaardigheid geweten
de kiemen trots zijn reeds gemaaid
geluid uit mensenmond heeft taal gebroken
en haat in bloedend zand verstrooid
maar in de zeer bedrogen ogen
zijn jaren van verderf vergeven
en sterkt de hoop
te zullen leven los van zwaartekracht
Het is altijd buiten mijn bereik
wanneer ik kijk en
jij passeert
In haast gehuld
ga jij aan mij voorbij
Ik schrik dan
slik dan en verstik
Jouw naam ontglipt mijn lippen niet
En tijd schrijdt zonder mededogen voort
Ik kijk en zie
je ziet me niet
scherpt dit verdriet dat mij bezeert
al heb ik er mee leren leven
Want telkens als jij weeromkeert
zal ik vergeven hoe je bent
mij immer wetend zo ontkent
Daar waar jij gaat
dezelfde straat als van mijn schreden
Voor altijd jouw vertrouwd gelaat
bedachtzaam van mij afgewend en
achtzaam zo mijn groet vermeden
Duurzaam ongerijmd verleden
Zij heeft het hem gegeven
Hij heeft ervan gedronken
En spoelt nu zijn mond
Met overvloedig kleingeld
Ontkent hij haar liefde niet
Dan haat hij nog haar schoonheid
Als hij geld op het bed achterlaat
Waarvan haar geliefde geen brood eet
Tijd en licht
Mensen
Klanken
Composities van oordeel en bemoeizucht
Fascisme schiet wortel in angst
De maatschappij als voedingsbodem
Woekert het weer voort
Vanmorgen was het half elf
Toen ik het bed uit liep
Intens jaloers op mijzelf
Want ik was het die bij haar sliep
Kom
Drink van mij
Zink in mij
Kom ons vormen
Laat ons stormen over lakens
Voorbij normen
Voorbij waarden
Voorbij bakens van de tijd
En ontaarden in het golven van de zee
Een inzicht schicht in hemels licht
Aan mij voorbij
Een kracht, een macht
Toont mij de nacht, het licht, de weg
En weg is het
Kom………..
Er is nog over
Al gaat het steeds wat moeizamer
Vooruit
Kinderstemmen klateren
Nog steeds
Voorspelbaar als het weer
De lucht, de grond en boeren
Zwoegen ver van hier
Waar het zo goed is
Nee
Kijk niet om te zien
En hoor niet om het luisteren
De dagen waren anders dan verwacht
De dingen gingen anders dan gedacht
En tijd is nog niet om
Dus kom er is nog over
Al gaat het steeds wat moeizamer
Vooruit
Ze gaat alweer verder
en terecht
Gelukkig maar
Voor haar
Haar ogen zullen niet meer
Enigszins verbaasd opkijken
Ze zal niet plotsklaps spreken
In een vloed van woorden
Kenbaar maken hoe dat was
Voor haar
En ik zal niet meer omdraaien
Vluchten voor haar enthousiasme
Ik zal niet hoeven vrezen
zomaar uit te roepen
Dat ik enorm veel van haar houd
Ik ken haar naam
Ik weet dat zij bestaat
En nu ze gaat
Hoe treurig dat voor ons is
En jammer voor de kinderen
Ben ik toch een beetje blij
Haar gezicht
Haar manieren
Al de dingen die ze deed
Hoe ze al de dingen deed
Ze zal soms plotsklaps spreken
In een vloed van woorden
Kenbaar maken hoe dat is
Voor haar
Haar ogen zullen enigszins verbaasd opkijken
Wanneer iets dat men zegt haar raakt
Treffende woorden
Prachtige zinnen
Ze komen niet in mij op
Jouw ogen staren me nog aan
Je weegt hetgeen je waarneemt
Ik dwaal door de tijd, verbeten strijdend
Tegen wieken die maar blijven komen
Bloemen bloeien onbaatzuchtig
In de verte rijdt een trein
Je weegt hetgeen je waarneemt
Jouw ogen staren me nog na
Ze komen niet in mij op
Prachtige zinnen
Treffende woorden
Jouw naam
Draagt het licht en het leven
Het is herfst
Bladeren zweven op de wind
En dood bevrucht de grond
Je gaat om in de lucht rondom
In de lucht rondom mij ga je om
Je bent blij en
Ik niet minder
Waak met jou als jij niet slaapt
En slaap met jou wanneer je wel
Je opent je ogen en kijkt me aan
Dan knijp je ze als een katje toe
Wat kijk je toch tevreden
Ga jij eens even weg
Niet het gedicht
Maar de gedachte
Woorden zeggen niets
De leugen danst
Ik kijk niet naar haar borsten
Ik zie maar nauwelijks haar gezicht
Denk een gedicht
En schaam me
Maar
Waarom dan wel ?
Ik hou van haar.
Ze zijn er weer.
De vragen die er niet toe doen.
De dagen die er niet toe doen zijn telkens.
De akkers dor onder een gouden licht.
De avond lonkt, de horizon legt ons te rusten.
In de verte het gevleugelde gedicht.
De echo van vergane lusten.
Hoe elk mens toen het zeer
En vragen die er niet toe doen
In zich heeft mogen leren kennen.